Annie Rekker, Doopsgezinde predikant:
In Engeland bezochten we een Mennonieten gemeente. Vrouwen in allemaal hetzelfde model jurk met op het hoofd een kapje en mannen in zwarte pantalon en wit overhemd. Mijn man en ik netjes gekleed. Ik in een jurk en hij in een lange broek met poloshirt. Na de dienst werd mij de vraag gesteld hoe men aan mij kon zien dat ik Mennoniet/Doopsgezind ben zonder het dragen van de speciale jurk en het kapje? Hoe kon men aan mijn buitenkant zien wat er aan de binnenkant leefde? Hoe was ik herkenbaar als gelovige? De vraag bleef hangen. De vraag schuurde en prikkelde. Want ja waar is aan te zien waar ik voor sta, waar ik in geloof? Het antwoord kwam toen er thuis twee van mijn spijkerjasjes aan de kapstok hingen. Een blauwe en een witte. De kraag en de zakklepjes van beide jasjes waren versierd met een aantal pin-speldjes. Allemaal van betekenis voor mij. Zoals het lieveheersbeestje tegen zinloos geweld, het gebroken geweertje teken van geweldloosheid, de vredesduif met tak, het theelepeltje met als betekenis dat heel veel druppels de gloeiende plaat af laten koelen, de Indische jasmijn is het herdenkingsteken voor de bevrijding van Nederlands-Indië, de bij vanwege het besef dat bijen en insecten belangrijk zijn voor ons en de schepping, het deurschildje van keramiek met Zon en Lam teken van ons Doopsgezinden en als laatste het Tau-kruisje (heb ik ook als speldje). Deze zomer ontvangen in Assisi, stad van Franciscus van Assisi.
Geen jurk, geen kapje maar wel pin-speldjes. Kleine symbolen waarmee ik iets laat zien van wat er in mijn binnenkant leeft, wat ik belangrijk vind en uit wil dragen.